Kattenkwaad

We hebben vroeger wat kattenkwaad uitgehaald. Soms moet ik er opeens weer aan denken. Die ene keer op het schoolplein.

Het moet de winter van 1981 geweest zijn. Althans, ik moet ongeveer negen à tien jaar oud geweest zijn. De hele dag verveeld naar de meester luisteren en bijna in slaap vallen bij aardrijkskunde. Wat had ik daar een godsgruwelijke hekel aan. Dat is ook nooit meer goed gekomen. Ook op de middelbare school werd het nooit meer dan een zes min.

Mijn interesse in mooie, verre landen ging vooral uit naar de geschiedenis van een land en naar de vraag of de temperatuur er ook in de winter minimaal twintig graden was. In de verte hoorde ik meester Reinink praten over geografie en hij wees met zijn lange aanwijsstok de landen op de kaart aan. Je kent het wel, zo’n ouderwetse kaart van textiel, aan alle kanten gerafeld door het jarenlange gebruik en gedeukt door de harde tikken van de witte aanwijsstok met rode punt. De lucht die in de klaslokalen hing, kan ik mij nog zo voor de geest halen. Een combinatie van linoleum, kinderzweet en te weinig ventilatie. Zo herinner ik mij de Ds. W.E. Den Hertogschool aan de Luxemburgstraat in Loosduinen.

Terwijl er toch van die antieke kantelramen net onder het plafond zaten, die de meester alleen kon openen met een stok van tweeënhalve meter waar een grote metalen haak aan zat. Een angstige actie die, als hij werd uitgevoerd, altijd voor grote hilariteit zorgde, omdat dat ding niet te tillen was en wij altijd bang waren dat hij bij een van ons in de nek zou belanden. Dit viel nog in het niet bij de ervaringen in ons vorige leerjaar, waarin we waren overgeleverd aan meester Boers en er nog weleens een blokfluit door de lucht vloog als hij het niet meer aankon.

Je kon alleen maar hopen dat je op tijd kon bukken. Behalve dat het aardig wat blokfluiten kostte, heeft het hem verschillende boze ouders opgeleverd. Dit was volgens de verhalen niet de enige misstap die hij beging en op een dag was hij opeens verdwenen, waardoor de geruchtenmachine op stoom kwam. Het is me nooit duidelijk geworden wat er precies gebeurd was, maar het kan weinig goeds geweest zijn.

Lees ook eens:  Genieten van de videotheek

Volgens mij was het iets met losse handjes die op plekken werden gelegd waar ze niet thuishoorden, maar je weet nooit wat er waar is van de verhalen en ik wil geen oordeel vellen over deze in mijn ogen aardige, doch wat opvliegende leraar. Veel erger vond ik het toen mijn favoriete leraar opeens dood was. Meester Schoelink had zijn hele leven bij zijn moeder gewoond en toen zij overleed, kon hij het leven gewoon niet meer aan. Dat heb ik pas veel later gehoord, want dat vertelden ze ons kinderen natuurlijk niet. Hij was een hele leuke man die nog stiekem sigaretjes in de klas rookte.

Het was in de tijd dat roken nog geen misdaad was. Overigens schaamde hij zich er wel voor, want voor iedere sigaret betaalde hij een dubbeltje. Iedere overtreding schreef ik netjes op een speciaal hiervoor gemaakt papiertje. Die mocht ik in ontvangst nemen en in een oude, holle telefoonhoorn stoppen. Als die vol was, ging hij daarvan ijsjes halen en zo hadden wij een leuk voordeel bij zijn slechte gewoonte.

Leuke en minder leuke herinneringen typeren die lagere schooltijd. Zo had ik de pech dat ik in de eerste klas juffrouw Van Straaten had. Die was in mijn ogen geboren in de zeventiende eeuw en was zo uit de middeleeuwen weggelopen. Een klein vrouwtje met een strenge bril en haar grijze haar in een strakke knot op haar hoofd. Ze leefde nog in de overtuiging dat je een klein duiveltje was als je links schreef. Rechts moest je leren schrijven en als je dat niet deed, landde haar houten liniaal regelmatig op je ‘verkeerde’ hand.

Het vriest buiten en tijdens de oeverloze preken van meester Reinink dwaalt mijn blik af naar buiten. Ik zie de mensen lopen die zich verstoppen in hun dikke winterjassen. Opeens krijg ik een idee, want het zou toch wel heel leuk zijn om op het schoolplein te kunnen schaatsen. In de pauze heb ik het erover met mijn vriendje Arthur. Ook zijn ogen beginnen te twinkelen bij het idee.

Lees ook eens:  Lassie uit Porky's pikante pretpark

Onderweg naar zijn moeder, die bij de juwelier in Loosduinen werkte, praten we erover. We komen tot de conclusie dat het die middag moest gebeuren. Na schooltijd blijven we gewoon wat langer hangen en dan heeft iedereen daar morgen plezier van. Die middag zitten we onrustig in de schoolbanken en is de tijd niet vooruit te krijgen. Het is ons geheim en dat maakt het nog moeilijker om de middag door te komen.

Toen uiteindelijk de bel gaat, gaan we net zoals iedereen naar buiten en voetballen we wat. Na een dik halfuur zijn we de enigen die er nog zijn en trekken we de stoute schoenen aan. In de uitgestorven school lopen we richting de gymzaal. Steeds achterom kijkend en schrikkend van ieder geluid betreden we de zaal en houden we onze adem in. Tenslotte kunnen we ieder moment worden betrapt. Achter in de gymzaal hangt de brandslang en van tevoren hadden we al bekeken dat we, als we die zouden gebruiken, via de achterdeur het hele plein nat konden spuiten.

We rollen de slang af en duwen de zware nooddeuren open. Met een kinderlijke onbevangenheid lopen we het plein op en spuiten het helemaal onder. We worden allebei zeiknat, maar voelen geen kou. Morgen zouden we de helden zijn, want iedereen zou op het plein kunnen schaatsen. Hoe naïef kun je zijn? Nog geen twee tellen later staat de rijzige gestalte van onze hoofdmeester achter ons.

‘Zo, heren, wat denken wij dat wij aan het doen zijn?’ ‘Nou, eh…’ Onze stemmen stijgen een octaaf, maar ontkennen heeft geen zin. Dit is duidelijk een ‘heterdaadje’. Aan onze oren worden we meegetrokken naar zijn kantoor, waar ons een preek wacht waar de dominee jaloers op kan zijn. Hij preekt hel en verdoemenis in zijn donkere kantoor, waar hij nog groter lijkt als hij vanachter zijn grote bureau op ons neerkijkt.

Lees ook eens:  Het meisje met het rode haar

Na tien minuten, die voor ons wel tien uur lijken te duren, staan we weer op de gang, allebei met de opdracht om vijfhonderd keer op te schrijven: ‘Ik mag het schoolplein niet onder water zetten.’ Een beetje lacherig lopen we met ons strafwerk richting huis. Ik weet niet hoe het met Arthur zat, maar ik heb het mijn ouders niet verteld.

Thuis trek ik me terug op mijn kamertje en begin ik te schrijven. Mijn oom Kees is toevallig die avond op visite en die neem ik in vertrouwen. Je moet het tenslotte wel aan iemand kwijt.

Later heb ik er vreselijk om kunnen lachen, maar ik geloof dat ik nog nooit zo bang ben geweest als op het moment dat we door meester Reinink werden betrapt. Toen overheerste ook de teleurstelling dat we niet de helden voor één dag zouden worden op school. We maken ons strafwerk en de dagen rijgen zich aaneen totdat we allebei groot genoeg zijn om de sprong naar de middelbare school te wagen.

Kattenkwaad

Daarna heb ik Arthur nooit meer gezien. Vreemd, als je iemand dagelijks ziet, bij elkaar op een verjaardag komt en tussen de middag samen een boterham eet. Jaren later hebben we nog een reünie gehad. Er waren er een heleboel uit onze klas, maar Arthur niet. Niemand kon me ook vertellen wat er van hem geworden was. Hij lijkt wel van de aardbodem verdwenen, mijn gabber van toen, mijn maatje in het kattenkwaad.

Het maakt ook niet uit; iedereen krijgt zijn eigen leven. Maar soms vraag ik me weleens af hoe het met mijn vriend van toen is.

Heb jij je trouwens al ingeschreven voor onze nieuwsbrief? Handig hoor! Elke zondag een overzicht in je email van onze nieuwste verhalen van de afgelopen week!

Deel dit bericht eens via:

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

fout: Content is protected !!